Romeins Schip

In 2003 zijn, in Leidsche Rijn, de resten opgegraven van een bijzonder Romeins vrachtschip. Door de archeologen wordt dit schip “ De Meern 1” genoemd.

In samenwerking met Het Utrechts Landschap heeft Stichting Bouwloods Utrecht dit schip herbouwd. Het Utrechts Landschap zorgde voor de bijzondere eiken die nodig waren voor de bouw van dit schip.

De archeologische veldgegevens vormden het uitgangspunt voor de reconstructie van het schip.

In 2009 heeft Agnes Jongerius het schip 'PER MARE AD LAURIUM' gedoopt en het schip tewater gelaten. Sindsdien vaart het schip in Woerden

De basis van het schip zijn 2 L-vormige elementen oftewel de kimmen. Deze kimmen zijn de meest vormgevende onderdelen van het schip en zijn 25 meter lang. Een middenstuk van 17,5 meter lang met daaran “gelast” een voorzijde (boegstuk) van 6,5 meter en een achterstuk van een meter of 5,5. De meters die je overhoudt van de optelsom zitten in de overlappen van de lassen.

Tussen deze kimmen  komt het vlak, bestaande uit planken van een centimeter of 50 breed en een centimeter of 7 á 8 dik. Het geheel (kimmen en vlakplanken) wordt aan elkaar verbonden door middel van de 59 leggers die dwars op de lengterichting van het schip staan en door en door aan de vlakplanken en kimmen worden genageld mbv zogeheten naainagels.

Nagenoeg elke legger heeft een (aangegroeide) zijtak. Deze takken komen om en om naar stuur- en bakboord omhoog te staan en ondersteunen zodoende het naar boven wijzende deel van de L-vormige kim.

Het probleem wat we bij de leggers tegenkomen is dat de uitgroei van de tak ongeveer 45 graden is in plaats van de ongeveer 90 die in de meern1 zijn gevonden. Dit komt omdat de oorspronkelijke leggers van vrijstaande eiken (die breed uitgroeien) komen, maar die kan en wil je niet zomaar kappen. Die van ons komen uit bossen die in het kader van onderhoud worden uitgedund. Om onze takken toch richting de 90 graden te krijgen worden ze met behulp van vuur die kant op geforceerd. Een tijdrovende maar leuke klus.

Dit “branden” van eiken onderdelen, normaal over het algemeen huidplanken, komt al eeuwen in de traditionele scheepsbouw voor. Men vermoedt dat de Romeinen zich ook met deze techniek bezighielden.

Alle soorten houtverbindingen (o.a. haaklassen, liplassen, zwaluwstaarten en pen/gatverbindingen) die in het opgegraven schip zijn gevonden werden tot het eind van de houten scheepsbouw gebruikt. Sterker nog in Friesland wordt er nog steeds gebruik van gemaakt.

Terug naar ons schip. Als de “bak’ bestaande uit de kimmen, het vlak en de leggers in elkaar zit worden er aan de buitenzijden van de kimmen, over de lengterichting van het schip, de boordgangen geplaatst. Funktie van deze 40 cm hoge planken is om het water buiten te houden en om het schip meer inhoud en dus laadruimte te geven.

Daarna is het tijd voor het opbouwtje waarin de bemanning zijn onderkomen had en waar een deel van de lading (waarschijnlijk de kostbare) werd opgeslagen. In dit opbouwtje is de enige andere houtsoort die in het schip is gebruikt gevonden. Namelijk de vloer van vermoedelijk larix. Logisch nadenken leert ons echter dat de mast (niet gevonden) ook uit een inlandse naaldhoutsoort moet zijn geconstrueerd. Mast, omdat er wel een mastvoet in het schip is aangetroffen.

Al met al een enorme uitdaging om dit schip te bouwen. Enerzijds omdat er veel mooie onderdelen en houtverbindingen te maken zijn, anderzijds omdat er genoeg valt na te denken en uit te zoeken. Veel is er gevonden, maar evenveel ook niet. Vraag is bijvoorbeeld waar en hoe de stuurriem aan het schip heeft gehangen en hoe dat “roer” werd gebruikt. In de Bodensee werden enorme rijnaken bijvoorbeeld wrikkend voortbewogen.

Op 4 april is het schip in het centrum van De Meern tewater gelaten en door Agnes Jongerius gedoopt tot  PER MARE AD LAURIUM Het Utrechts Landschap zal met de nieuwe “ Meern 1” , educatieve vaartochten gaan verzorgen in het oorspronkelijke vaargebied.